Karel Čapek tussen visionair denker en vredesactivistis

De vooraanstaande Tsjechische schrijver Karel Čapek (1890-1938) schreef zijn toneelstuk Bílá nemoc (De witte ziekte) eind 1936. De première in Praag vond plaats op 29 januari 1937. De verfilming onder regie van Hugo Haas, die zowel in het toneelstuk als in de film de rol van dr. Galén speelde, ging op 21 december van hetzelfde jaar in première, wat moge duiden op de hoge urgentie van het stuk. Een jaar later, op 25 december 1938, zou Čapek overlijden, lichamelijk verzwakt en mentaal gedesillusioneerd om de politieke toestand waarin Tsjechoslowakije zich in deze periode bevond. Hij had zich zeer geëngageerd met de republiek, gesticht in 1918 na het uiteenvallen van Oostenrijk-Hongarije en geleid door president T. G. Masaryk. Deze nog jonge republiek zag zich in de jaren dertig bedreigd door het agressief nationaalsocialisme en militarisme in met name de buurlanden Duitsland en Oostenrijk, waartussen in maart 1938 de beruchte ‘Anschluss’ tot stand kwam. In september werd door het Verdrag van München Tsjechoslowakije in feite opgeofferd door de westerse grote mogendheden ter wille van de lieve vrede in Europa, wat een illusie zou blijken te zijn. In oktober van dat jaar werd het grensgebied Sudetenland bezet en op 15 maart 1939 Bohemen en Moravië, het westelijk deel van de republiek, die daarbij feitelijk ophield te bestaan.

Čapek wilde in deze woelige tijd een statement maken door zich ronduit uit te spreken tegen dit militarisme en tegen het zich snel verspreidende nationaalsocialisme. Hij koos in het toneelstuk als symbool hiervan de Maarschalk als hoofd van een naburige natie. Het leed geen twijfel dat hij een volksmenner was à la Hitler, al ontkende Čapek zelf deze directe verwijzing. Als tegengif tegen het militarisme fungeerde het medicijn dat de zich even snel verspreidende ‘witte ziekte’, een soort melaatsheid die naar binnen sloeg en de patiënt in staat van ontbinding deed geraken, een halt toe moest roepen. Het medicijn werd uitgevonden door dr. Galén, wiens naam een toespeling is op de Grieks-Romeinse arts Claudius Galenus uit Pergamon (tweede eeuw na Chr.)

De machtsstrijd tussen enerzijds de Maarschalk en zijn vriend, de wapenmagnaat baron Krüg en anderzijds de idealistische vredesprediker dokter Galén, die het geneesmiddel in handen heeft maar het weigert zomaar aan rijke en machtige mensen als de maarschalk en baron Krüg te verstrekken, eindigt in een nederlaag voor beide partijen: de besmette baron Krüg pleegt uit angst voor de ellendige gevolgen van de ziekte en het vooruitzicht afgezonderd te worden in een zwaarbewaakt kamp (sic!) zelfmoord, terwijl de Maarschalk nog steeds oproept tot oorlog, maar eveneens besmet raakt en ten dode is opgeschreven.

Dokter Galén, die op het nippertje erbij geroepen wordt, wanneer de Maarschalk zijn oorlogsmissie (tegen een klein buurland) opeens onder druk van de omstandigheden wijzigt in een vredesmissie, wordt op het plein voor het paleis van de Maarschalk door het gepeupel dat zich achter zijn Leider schaart en hem luid toejuicht, doodgetrapt.

Dit einde, waarbij de good guy, die staat voor vrede en humaniteit en die de mensheid had kunnen redden, de dood vindt, is nogal drastisch: het door de Maarschalk tot oorlog opgezweepte volk lijkt de winnaar. Dit ellendige einde had nog erger kunnen zijn als Galén joods was geweest. Čapek had oorspronkelijk voor deze rol een joodse redder in nood met de naam Herzfeld gekozen. Als de schrijver deze naam zou hebben gehandhaafd, zou het stuk nog provocatiever en gevaarlijker zijn geweest in de explosieve politieke context van die tijd. Het zou dan immers ook nog hebben ingespeeld op het in Duitsland en Oostenrijk heersende antisemitisme (Kristallnacht, november 1938).

Mogelijk ter compensatie voor de wijziging van de naam Herzfeld door Galén werd de rol van Galén zowel in het toneelstuk als in de film wel gespeeld door de joodse acteur Hugo Haas. Wellicht eveneens uit voorzichtigheid werd het stuk eind januari 1937 niet in het grote Nationaal Theater in première gaan, maar in het kleinere Standentheater, al werd als officiële reden de tijdelijke niet-beschikbaarheid van het Nationaal Theater opgegeven. In feite was men bang voor repercussies van de kant van de Duitse ambassade die met maatregelen dreigde, hoewel Čapek zelf steeds ontkende dat het concreet om Duitsland ging. De Maarschalk zou evengoed trekken hebben van andere dictatoren (Mussolini, Franco), maar baron Krüg (in het Tsjechisch uitgesproken als ‘Krieg’) lijkt wel een Duits gen te hebben, ofwel naar ‘oorlog’ dan wel naar Krupp. Misschien is om die reden voor de film liever voor de naam ‘Krog’ gekozen.

Het toneelstuk werd in die tijd zo actueel gevonden dat het meteen in diverse talen is vertaald en in diverse landen opgevoerd. Ook in Nederland, in de Koninklijke Schouwburg in Den Haag (25-4-1937) door het Vereenigd Rotterdamsch-Hofstad Tooneel, waarschijnlijk naar de Engelse vertaling. De Schouwburgcommissie wilde het oorspronkelijk niet programmeren (vond het stuk te tendentieus), maar burgemeester De Monchy liet het passeren, wat opmerkelijk is, gezien zijn latere pro-Duitse houding.

De aanleiding tot de vertaling van dit toneelstuk nu is niet direct de actuele politieke situatie van toen, maar eerder de vele in het oog springende parallellen die de ‘witte ziekte’ met de uitbraak van het actuele coronavirus vertonen. Hier gaat het om een pandemie die met name de oudere generatie van boven de vijftig bedreigt, en ook hier rijst (bij de jongere generatie) de vraag of deze groep wel zo nodig moet worden beschermd. De witte ziekte wordt doorgegeven via de handdruk en leidt tot een soort opschoning (in verband met overbevolking) van de mensheid die jongeren aan woningen en werk helpt. Tegelijk zou de verstrekking van het medicijn (vaccin) de weg openen naar een duurzame vrede tussen de volken (een soort nieuw normaal). Wellicht wordt ook in het huidige tijdsgewricht het vaccin inzet van spanningen en de roep om een verandering van de maatschappelijke verhoudingen en een verbetering van leef- en klimaatomstandigheden.

Een opvallende overeenkomst is verder dat de (witte) ziekte haar oorsprong heeft in China (‘Pekinese melaatsheid’), waar elk jaar wel een enge ziekte de kop opsteekt, zoals Čapek weet te melden.

Zo voegt dit toneelstuk zich bij de werken die een besmettelijke ziekte tot thema hebben, zoals De pest van Albert Camus, De stad der blinden van José Saramago, Liefde in tijden van cholera van Gabriel García Márquez e.a., die alle handelen over een epidemie. Bij Čapek gaat het expliciet om een pandemie en zijn toneelstuk heeft in vergelijking met de andere genoemde werken een veel duidelijkere politieke lading en pacifistische boodschap.